maandag 9 juli 2018

Niet alleen competitief en duurzaam, ook veilig

Bij de groeiambities van het industriecomplex Chemelot horen ambitieuze veiligheidsdoelstellingen. Daarom is volgens de Onderzoeksraad voor Veiligheid een meer strategische aanpak nodig voor de verbetering van de procesveiligheid van de chemische installaties op deze site.


28 December 2016 was voor mij een Kennedy-moment, zo’n gebeurtenis waarbij je je voor altijd herinnert waar je was toen je erover hoorde. Jij weet vast nog waar je was op 9/11, de aanslag op de Twin Towers in New York in 2001. Eind 2016 was dit de brand in de naftakraker 3 op Chemelot: wij maakten toen een wandeling nabij Gronsveld. Een goede vriend had toen als procesoperator dienst en tijdens de jaarwisseling zaten we in spanning over de toestand van de twee zwaargewonden, van wie kort daarna één overleed.

Dit ernstige voorval, tezamen met andere voorvallen in 2015 en 2016, was aanleiding voor de Onderzoeksraad voor Veiligheid om te onderzoeken op welke manier partijen op Chemelot de veiligheid beheersen en welke tekortkomingen en kwetsbaarheden er zijn. Op 21 juni 2018 publiceerde de Onderzoeksraad het rapport “Chemie in samenwerking: Veiligheid op het industriecomplex Chemelot” met belangrijke aanbevelingen.

Ambitieuze veiligheidsdoelstellingen
Volgens de Onderzoeksraad is Chemelot om drie redenen bijzonder:
  1. Chemelot is gesitueerd in een dichtbevolkt gebied
  2. Chemelot beschikt over een overkoepelende omgevingsvergunning voor alle bedrijven op het complex
  3. Op de site ligt de Brightlands-campus voor chemie-gerelateerd onderzoek en onderwijs (2.500 onderzoekers en studenten).
De groeiambities van de partijen op Chemelot maken de beheersing van de procesveiligheid urgenter. Temeer omdat het ontwerp van de chemische fabrieken dateert uit de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw (het thema ageing, veroudering). De Veiligheidsraad verwacht dan ook dat de bedrijven op Chemelot proactief nagaan hoe de procesveiligheid kan worden verbeterd door de installaties aan te passen aan de actuele stand van de techniek.
Dit is een verantwoordelijkheid van de afzonderlijke chemiebedrijven (met name SABIC, Fibrant, OCI Nitrogen, Borealis, ARLANXEO, AnQore, DSM Engineering Plastics, Sitech Services, Vynova, Polyscope, Air Liquide en Sekisui S-Lec *), alsmede Brightlands Chemelot Campus) én een collectieve verantwoordelijkheid. Het is zaak om ambitieuze veiligheidsdoelstellingen te formuleren en deze te integreren in “Visie Chemelot 2025” (lees hierover “Hoe Chemelot meer kansen biedt”). De samenwerkende partijen moeten ook op een onafhankelijke manier scherp worden gehouden bij het realiseren van die veiligheidsdoelstellingen.

Rol van bevoegd gezag
De Provincie Limburg behartigt volgens de Onderzoeksraad drie belangen in relatie tot Chemelot:
  1. Bevoegd gezag, waarmee het publiek belang van de veiligheid op Chemelot wordt behartigd
  2. Publiek aandeelhouder van de Brightlands-campus, in het kader van het economisch beleid
  3. Subsidieverlener, bijvoorbeeld bij projecten gericht op duurzaamheid.
Volgens de Onderzoeksraad kan de Provincie Limburg de veiligheid op Chemelot bevorderen door zelf expliciete veiligheidsambities voor Chemelot vast te stellen. Deze ambities moeten dienen als toetssteen bij de verdere ontwikkeling van Chemelot. Het is zaak dat de provincie samenwerkt met de gemeenten Sittard-Geleen, Stein en Beek, wat moet leiden tot een gezamenlijke visie op de planologische ontwikkeling op en rond Chemelot, waarbij de veiligheid centraal staat.

Afweging van belangen
De Onderzoeksraad vraagt expliciet aandacht voor een goede afweging tussen de belangen van (nieuwe) activiteiten op de site, met name de campus, en de veiligheidsrisico’s voor de mensen die er aanwezig zijn. De raad adviseert om de aanwezigheid van mensen zoveel mogelijk te beperken.

De aanbevelingen voor Chemelot gelden volgens de Onderzoeksraad eveneens voor andere clusters met zware chemische industrie. Ook elders in Nederland moet naast ambities op het gebied van verduurzaming aan veiligheidsambities een prominente plek worden gegeven.
Een laatste aanbeveling heeft dan ook betrekking op vergunningverlening, toezicht en handhaving voor chemieclusters in het algemeen. Er is meer aandacht nodig voor het beheersen van risico’s op domino-effecten tussen bedrijven en voor het beperken van activiteiten die daar niet noodzakelijkerwijs hoeven plaats te vinden. En vanwege het thema ageing is meer aandacht nodig voor de risico’s van verouderde ontwerpen en installaties.

Voor veel Limburgers is 7 november 1975 een Kennedy-moment: toen was op het huidige Chemelot de explosie in de naftakraker 2, waarbij 14 medewerkers verongelukten. Deze ramp heeft ertoe geleid dat de procesveiligheid sterk werd verbeterd. Voortaan werden reactorvaten afgesloten van de open lucht en door middel van stikstof geïnertiseerd, waardoor het risico op een explosie afnam.
Met het rapport van de Onderzoeksraad in handen moeten nu verdere stappen op het gebied van veiligheid gezet worden.

Het rapport “Chemie in samenwerking: Veiligheid op het industriecomplex Chemelot” is online beschikbaar op de website van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Hierin vind je ook de conclusies van de Onderzoeksraad over de ernstige voorvallen in 2016 (lees “Waarom er nu geen maatregelen genomen worden” over de voorvallen in 2015).
*) Een actueel overzicht van zgn. BRZO-locaties in Nederlands is online beschikbaar: www.brzoplus.nl/brzo/bedrijven.

maandag 25 juni 2018

Herinneringen aan een verdwenen dorp

Eens verkende ik met Google Earth een dorp dat ooit op het huidige Chemelot lag. Later maakte ik kennis met enkele oud-inwoners. En nu beschik ik over een boek over Oud-Kerensheide.

Plaatsnaambord Kerensheide

Van jongs af aan heb ik belangstelling voor atlassen, ook voor de online atlas Google Earth. In “Op zoek naar een verdwenen dorp” vestigde ik met de hulp daarvan je aandacht op het dorpje Oud-Kerensheide, dat vroeger op Chemelot stond. Het was een ‘fabrieksdorp’, waar medewerkers van de Staatsmijnen, zowel ondergronds en technisch personeel woonden.

De ligging van Oud-Kerensheide op Chemelot

Door de ontwikkelingen van het huidige Chemelot-terrein, met name de bouw van de naftakraker Olefins 4, moest het dorp worden afgebroken. Tegenwoordig kun je van bewoning geen spoor meer terugvinden, alleen de bomen geven nog een beeld van het oude stratenpatroon.

Herinneringen aan Oud-Kerensheide
Later maakte ik kennis met enkele oud-inwoners van Oud-Kerensheide, François Toussaint en de gebroeders Hans en Guus Knibbeler. Het verslag van eerstgenoemde van hun bezoek aan de locatie deelde ik via “Oud-Kerensheide opnieuw bezocht”.

Herinneringen aan Oud-Kerensheide

Door die twee artikelen over het verdwenen dorp kwam ik onlangs opnieuw in contact met twee oud-inwoners: Hennie Rooijackers en Jos Graff. De eerste heeft, samen met Ton Macco, een boek over zijn geboortedorp samengesteld: “Herinneringen aan Oud-Kerensheide”.

In dit boek vind je de geschiedenis van het dorp, de betekenis van Staatsmijn Maurits, beschrijvingen van het dagelijks leven en dierbare herinneringen van enkele oud-inwoners, rijk geïllustreerd met oude foto’s.

Stratenplan Oud-Kerensheide

Ontstaan en de ondergang van Oud-Kerensheide
Wat betreft de geschiedenis van het dorp: in 1820 gaf Jonkheer Kerens de Wolfrath opdracht om een grote Romaanse boerderij te bouwen op de uitgestrekte Beekerheide: de Kerenshof. Op die heide graasde voortdurend een grote kudde schapen die werd gehoed door Jacobus Vranken. Volgens de overlevering zou hij op 24 mei 1940 temidden van zijn kudde zijn overleden.

Na 1914 werden door de Staatsmijnen omvangrijke terreinen aangekocht voor de bouw van de Staatsmijn Maurits en ook de Kerenshof werd staatseigendom. Op 1 januari 1926 ging de Staatsmijn Maurits in bedrijf (lees “Hoe het onder de grond begon”).
In 1918 werden de eerste woningen van Oud-Kerensheide gebouwd voor mensen die meewerkten aan de bouw van de mijn. In de periode 1929-1930 werd het dorp uitgebreid. In 1941 werden enkele ingenieurswoningen bijgebouwd en in 1947-1948 volgden nog achttien Oostenrijkse woningen (uit hout). Er waren enkele cafés en winkels, een bakker, een transportbedrijf en een houthandel; voor scholen moest de jeugd naar de omliggende plaatsen.

Tijdens het bombardement van Geleen op 5 oktober 1942 (lees "Toen het donkerder werd dan in een mijnschacht") brandden een winkel en een café volledig af. Deze panden zijn nooit herbouwd.
Zondag 7 november 1943 is de zwartste bladzijde in de geschiedenis van Kerensheide geworden. Een geallieerd vliegtuig liet tijdens een luchtgevecht zijn bommen op het dorp vallen. Hierdoor werden twee inwoners dodelijk getroffen en drie raakten er gewond.

 Monumentale boerderij Kerenshof

Vanwege de ontwikkeling van de chemische industrie (lees “Hoe DSM zich tot chemiebedrijf ontwikkelde” en “Hoe DSM een sprong voorwaarts maakte”) en de overlast die de fabrieken veroorzaakten, besloot DSM om het dorp te slopen. Dat begon in 1967 met de afbraak van de Kerenshof. Van 1972 tot 1975 werden de overige woningen gesloopt. De bewoners ontvingen een magere tegemoetkoming in de verhuiskosten; de gedwongen verhuizing deed hen veel verdriet.

Het gebied waar Oud-Kerensheide ooit stond, is nu grotendeels afgerasterd en achter het prikkeldraad lopen grote grazers. Waarschijnlijk zijn het runderen van een ander ras dan indertijd op de Kerenshof werden gehouden.

Het boek “Herinneringen aan Oud-Kerensheide” (2001) kun je – met permissie van de samenstellers - hier downloaden.

maandag 18 juni 2018

De gemeente steekt in op duurzaamheid

Voor 2018-2022 zijn in Sittard-Geleen nieuwe wethouders geïnstalleerd. Wat zijn de plannen met betrekking tot chemiepark Chemelot en onderzoekscampus Brightlands in hun gemeente? Het coalitieakkoord geeft de richting aan.


In Sittard-Geleen sloten GOB, GroenLinks, DNA, SP, VVD, PvdA en SPA op 31 mei 2018 het coalitieakkoord “Samen duurzaam: samenwerken aan een gezonde gemeente”, ruim twee maanden na de gemeenteraadsverkiezingen op 21 maart. De coalitie wordt dus gevormd door zeven van de twaalf fracties in de raad (lees voor hun standpunten inzake Chemelot en Brightlands “De kiezer aan zet in de gemeente”).

Met het oog op Chemelot en Brightlands zijn er in het coalitieakkoord twee dingen die opvallen, veel nadrukkelijker dan vier jaar geleden (zoals je kunt lezen in “Hoe krijgt het nieuwe college ons aan het werk?”):
  1. De economie in de gemeente is meer dan alleen chemie
  2. De trend naar duurzaamheid wordt ingezet.
Oftewel: de coalitie stimuleert de economie, maar stelt harde voorwaarden aan de gevolgen voor de leefbaarheid en aan de duurzaamheid.

Bredere focus op economie en werkgelegenheid
De economie in Sittard-Geleen bloeit, maar de kansen beperken zich niet tot Chemelot, VDL en logistiek. Zo bieden volgens de coalitie de historie van de gemeente, de groene omgeving en het aantrekkelijke buitengebied volop kansen voor groei in toerisme en vrijetijdseconomie. Daarmee kan de gemeente meer diversiteit in de economie aanbrengen.

De coalitie ziet graag dat de inwoners ambassadeur worden voor hun gemeente, wat moet leiden tot een toenemende belangstelling van nieuwe inwoners (zoals kenniswerkers), bedrijven en toeristen.*) Voor de ontwikkeling van de vrijetijdseconomie zal de coalitie het overleg tussen ondernemers en natuurorganisaties stimuleren.

Onderwijs
De coalitie gaat in de Triple Helix in gesprek met onderwijsinstellingen en bedrijfsleven over de afstemming van leerlijnen op de behoefte in de arbeidsmarkt. De coalitie richt zich daarbij op automotive, logistiek en techniek.

Duurzaamheid
De coalitie acht duurzaamheid van groot belang. De toenemende belasting op de leefomgeving en het milieu vormt namelijk een keerzijde van de groeiende economie in de gemeente. Bovendien worden door nationale wetgeving en internationale afspraken eisen op dit gebied gesteld. Het einddoel is een energie- en klimaat-neutrale gemeente in 2040.

De coalitie weet dat ook voor Chemelot duurzaamheid essentieel is. Enerzijds waar het gaat om de energietransitie en het gebruik van grondstoffen en anderzijds als leverancier van innovatieve oplossingen voor de duurzaamheidsvraagstukken in de maatschappij. De coalitie verwijst naar de “Visie Chemelot 2025” met de opgaven en programma’s voor het chemiepark (lees “Hoe Chemelot meer kansen biedt”). De coalitie zoekt de verbinding met Chemelot om kennis en oplossingen uit te wisselen, om informatie en voorlichting te geven aan de inwoners en om innovaties te stimuleren. Bijvoorbeeld middels living labs waar oplossingen kunnen worden gepresenteerd en in de praktijk uitgetest.

Aanleg van Het Groene Net in Sittard

Het Groene Net
Het Groene Net is een stadsverwarmingsnetwerk voor woningen en kantoren in de gemeente, waarbij warmte uit biomassa en (in de toekomst) restwarmte van Chemelot worden gebruikt. De coalitie wil Het Groene Net nog meer prioriteit geven en de uitrol daarvan waar mogelijk versnellen. Mits dit voor alle inwoners betaalbaarheid is.

Campusontwikkeling
Voor de toekomstige ontwikkeling van Brightlands Chemelot Campus wordt uitbreiding naar het gebied De Lexhy overwogen. Voor dit gebied volgt de coalitie de visie die is vastgelegd in de “Visie Chemelot 2025” en die voorziet in kantoren en campusfaciliteiten, waaronder R&D-faciliteiten, zoals kleinschalige productiefaciliteiten voor pilots. De coalitie accepteert echter geen geluidsoverlast en verkeersproblemen en eist natuur in Graetheide ter compensatie. Graetheide blijft groen!

Blijven de sirenes loeien?
Als deelnemer aan de Veiligheidsregio vraagt de coalitie aandacht voor de communicatie en samenwerking in de Euregio en zoekt het met Chemelot naar innovatieve alternatieven voor de sirenes die gaan verdwijnen (lees “Weet jij wat je moet doen?”).

Regionale samenwerking
De coalitie zet zich in voor regionale samenwerking en participeert onder meer in de volgende processen:
  • Economische Samenwerking Zuid-Limburg (ESZL): www.eszl.nl.
  • Strategisch actieplan: Randstad Zuid-Limburg: een eerste aanzet voor een Stedelijk Netwerk Zuid-Limburg” door Luc Soete (februari 2018).

Het nieuwe college
Het nieuwe College van Burgemeester & Wethouders van Sittard-Geleen wordt gevormd door burgemeester Sjraar Cox en de wethouders Pieter Meekels (GOB), Leon Geilen (GOB), Kim Schmitz (GroenLinks), Jos Bessems (DNA), Felix van Ballegooij (SP), Eefje Joosten (VVD) en Berry van Rijswijk (GOB). Dit betekent dat PvdA en SPA niet met een wethouder in het college zijn vertegenwoordigd.

* Met mijn artikelen kwijt ik me regelmatig van mijn rol als ambassadeur voor de gemeente, zoals “De ondernemende stad op de kaart in 8 stappen” en “De macht van de dagelijkse dingen geëtaleerd”.

Het coalitieakkoord 2018-2022 “Samen duurzaam: samenwerken aan een gezonde gemeente” is online opvraagbaar.

maandag 11 juni 2018

How DSM made a big leap forward

After DSM had developed into a chemical company in the 1950s and 1960s and the mines had been closed for good, things such as rising labor costs, safety and environmental pollution became increasingly important at today’s Chemelot. In addition, profitability was under pressure. That’s how DSM entered the 1970s.


Acrylonitrile plant

As in those days – the 1970s – profitability was under pressure, research budgets, particularly those for fundamental research, were slashed – partly motivated by the lysine debacle (read “How DSM developed into a chemical company”), but also in line with the trend in the chemical industry.

Demand-driven diversification
The DSM management decided on a big leap forward on the foundation of the chemical activities in the 1950s and 1960s. In this context, DSM aimed at demand-driven diversification through acquisition of technology or companies. From now on, market developments were taken into account in the decision to build a production facility.
DSM started with the production of acrylonitrile (CAN, feedstock for acryl fibers, 1969) and the plastics polyvinyl chloride (PVC, 1972), polypropylene (PP, 1977), and acrylonitrile-butadiene-styrene (ABS, 1974). The plants were built on the basis of purchased technology that was improved by DSM. Sales of plastics took a great flight, and therefore two new crackers were built in the 1970s (naphtha crackers 3 and 4) to supply the raw material (ethylene and propylene).
In 1976, the name of the Central Laboratory was changed into CRO (Corporate Research and Patents department), which in 1985 became DSM Research. Today, this is called Brightlands Chemelot Campus.

Fine chemicals
The lysine research of the ‘60s became the basis for DSM’s activities in fine chemicals. These products are used in, for instance, food ingredients, medicines, and agricultural chemicals. Fine chemicals are somewhere in between special products (small production facilities for several products) and bulk chemicals (large plants for a single product). This development resulted in the production of products such as benzaldehyde (for flavors, 1972), phenylglycine (an amino acid used in medicines, 1972), pyridine (from acrylonitrile, for agricultural chemicals, 1977), alpha-picoline (for agricultural chemicals, 1977) and amino acids (initially D-valine, 1988). Use was also made of biotechnology, which means that enzymes were applied as catalysts for chemical processes.
In spite of these positive developments, fine chemicals remained a niche in DSM’s sales. The production of alpha-picoline was terminated in 2010.

Water purification
The research conducted in the 1970s also focused on the environment, more specifically the effects of the chemical operations on the water quality of the Maas river. Already in the 1960s, DSM had built a waste water purification plant, the Pasveersloot (near Stein). In 1977, a new waste water purification plant (near Meers) was commissioned. The microbiological research that had led to this plant formed the basis for further biotechnological research.

In addition, measures were taken to reduce the brown plume rising up above the site, which was visible from miles away. The brown color was caused by nitrogen oxides released in particular from the nitric acid plant. Currently, denox equipment prevents these emissions. Sometimes these plumes can still be seen when a plant is started or stopped. Then the denox equipment is not at the right temperature and a limited amount of nitrogen oxides is released.

Urea and melamine
Corrosion problems triggered the decision to combine urea and melamine production (1970). Two oil crises in the 19070s made it attractive for oil-producing countries to start producing chemicals themselves, in particular urea (as fertilizer). DSM increasingly concentrated on the West European fertilizer market, where hardly any urea was sold. That’s why DSM rather used urea as a raw material for melamine.

The ACN plant is now owned by AnQore, manufacturer of "Smart Materials". AnQore is part of the ChemicalInvest Holding, which is part of the investment company CVC Capital Partners. CVC is also the owner of companies such as Avast (security software), Breitling (watches) and Douglas (perfumery chain).
The PVC plant now belongs to Vynova, a division of ICIG, which specializes in vinyl chlorides, with factories at Tessenderlo, Wilhelmshaven, Mazingarbe, Runcorn, and Chemelot. ICIG (International Chemical Investors Group) is a Luxembourg-German industrial investment company, also the owner of Enka (previously AkzoNobel).
The PP plant is owned by the Saudi company SABIC, one of the largest chemical companies in the world. Last year, the former Minister of Economic Affairs, Henk Kamp opened SABIC’s pilot plant for polypropylene at Brightlands Chemelot Campus. This shows that a product that has been produced since 1977 still requires research.
The ABS plant was sold to BASF in 1999; a few years later production was terminated.

Read also “How it started underground”, “The first transition: from coal to chemicals” and “When it went darker than in a mine shaft”.
This is a repost of my (Dutch) January 15, 2018 post.
Read my May 20, 2013 blog post about the reason why of my English reposts.

maandag 4 juni 2018

Hoe Gelderland ook mij mooie – culturele – streken leverde

De Achterhoek is niet alleen aantrekkelijk vanwege het mooie coulisselandschap, ook liefhebbers van kunst en cultuur komen er aan hun trekken. Ik geef je drie interessante plaatsen.


Kasteel Ruurlo

Museum MORE
Middenin Gorssel staat een gebouw dat in dit dorp qua omvang uit de toon valt: Museum MORE voor modern realisme. Het museum is dankzij zakenman en mecenas Hans Melchers tot stand gekomen. Toen wij er waren werden vier Nederlandse schilders uitgelicht: Floris Verster, Jan Mankes, Dick Ket en Henk Helmantel. Dit zijn kunstenaars die, met oog voor detail, de zichtbare werkelijkheid als uitgangspunt nemen. Door de overheersende abstracte stroming van hun tijd kregen ze niet altijd erkenning vanwege hun ambachtelijkheid en techniek; men vond dat ouderwets.

Donkere pioenen in een aardewerken pot
Floris Verster (1890)

Floris Verster (1861-1927) woonde sinds zijn huwelijk in 1892 op landgoed Groenoord bij Leiden. Tot zijn werk behoren uitbundige bloemstillevens en landschappen. De schilder verdronk in de vijver in de achtertuin van het landgoed.

Gemberpot met tulpen
Floris Verster (1913)

Zelfportret
Floris Verster (1921)

Bomenrij
Jan Mankes (1915)

De schilder en graficus Jan Mankes (1889-1920) was getrouwd met Anne Zernike, de eerste vrouwelijke predikant van Nederland. Hij schilderde vooral de natuur. Omdat zijn werk een zekere stilte uitstraalt, werd hij wel “Hollands meest verstilde schilder” genoemd. Hij overleed aan tuberculose.

Jonge witte geit
Jan Mankes (1914)

Zelfportret
Jan Mankes (1915) 

Dubbelportret van de schilder en zijn vader
Dick Ket (1929/1940)

Dick Ket (1902-1940) was door ziekte aan huis gebonden. Daarom schilderde hij voorwerpen die in zijn ouderlijk huis voorhanden waren. Hij geloofde in twee tegengestelde werelden: de materiële en de geestelijke wereld. Daarom waren ook de dode voorwerpen in zijn schilderijen volgens hem bezield.

Stilleven (met viool)
Dick Ket (1932)

Zelfportret met baret
Dick Ket (1933)

De zuidbeuk van de St. Nicolaaskerk in Monnickendam
Henk Helmantel (1988)

De Groningse fijnschilder Henk Helmantel (1945) behoort tot de Noordelijke realisten en in zijn leven en werk staat het christendom centraal. Hij schildert veel interieurs van kerken en kloosters en stillevens van eenvoudige gebruiksvoorwerpen. In 2008 werd Helmantel ‘Kunstenaar van het Jaar’.

De grote druiventros
Henk Helmantel (1992)

Zelfportret
Henk Helmantel (1968)

Landschap met zeven beelden
Carel Willink (1941)

Kasteel Ruurlo
Even buiten Ruurlo staat Kasteel Ruurlo, dat enkele jaren geleden nog stond verkommeren, totdat Melchers ook hier aan de slag ging. Het gebouw werd zorgvuldig gerestaureerd en de toegang werd mogelijk gemaakt door een opvallende glazen brug. In dit filiaal van Museum MORE bracht Melchers zijn collectie schilderijen en tekeningen van Carel Willink onder.

Carel Willink (1900-1983) was dé schilder van het magisch realisme, omdat zijn voorstellingen realistisch ogen, maar uitsluitend in de fantasie mogelijk zijn. Desolate straten, pleinen en parken, vaak met klassieke beelden, werden zijn ‘handelsmerk’. Hij is ook bekend van zijn huwelijk met de societyfiguur Mathilde de Doelder (1939-1977). Zij doste zich uit in de extravagante creaties van de modeontwerpster Fong Leng, die dan weer door Willink werden geschilderd.

Zebra’s in rood landschap
Carel Willink (1958)

Portret van Mathilde
Luipaardmantel van Fong Leng
Carel Willink (1975)

De hoofdige boer

De hoofdige boer
In Almen, ongeveer halverwege Gorssel en Ruurlo, gelegen tussen de Berkel en het Twentekanaal, overnachtten wij in Landhotel “De Hoofdige Boer”. In de eetzaal vind je een Engelstalige spreuk: “Swerving from our father’s rules | is calling all our fathers fools.

De naam van het hotel en de spreuk verwijzen naar een komisch gedicht van de Gelderse dichter A.C.W. Staring (1767-1840). Hij behoorde tot de Gelderse landadel, een landheer met verschillende functies in politiek en rechtspraak. Hij was ook een van de weinige romantische Nederlandse dichters en dichtte ook “Oogstlied”, dat (volgens Drs. P) begint met de strofe:

Sikkels blinken, sikkels klinken,
Ruischend valt het graan.
Als je iemand weg ziet hinken,
Heeft hij iets verkeerd gedaan.



Achterhoeks landschap bij Barchem

Extra: Boschheurne-route
Dus wat mij betreft: ga naar Gorssel, Ruurlo en Almen. En wie na kunst en cultuur van het coulisselandschap van de Achterhoek wil genieten, wandelt de Boschheurne-route vanaf Boerderijmuseum “De Lebbenbrugge” bij Borculo, die door het stroomgebied van de Slinge voert (11 km).

Meer informatie over Museum MORE: www.museummore.nl
En over Kasteel Ruurlo: www.museummore-kasteelruurlo.nl

De hoofdige boer
Eene Zutphense Vertelling
A.C.W. Staring

Elk weet waar 't Almens kerkje staat
en kent de laan die derwaart gaat.
Een duiker perst daar onder 't spoor
zijn schuim tot in de Berkel door:
al golft rondom de wintervloed,
men komt ter preek met droge voet.

Eens was het anders hier ter stee,
wanneer een voord de weg doorsnee
en 't brugje, naast die voord geleid,
de smaad droeg van zijn nieuwigheid.
Ik vond een boek dat meldt daarvan
wat volgen moet, zo 't rijmen kan.

De voord, dan min dan meerder diep,
naar sloot en scheigrep stond of liep,
was Almens ganse tempelschaar
(vooral de meisjes) tot bezwaar:
met schade aan dure feestkledij
kwam menig aardig kind niet vrij;
men raakte in 't zweet op 't lange pad,
men vatte koude in 't modderbad,
en de ijver om ter kerk te gaan
bracht buikpijn en geen stichting aan.

Kortom die voord was elks verdriet
in Almens needrig dorpsgebied,
van toen de meid, per bezemstok,
de schoorsteen uit daarover trok,
tot, na verloop van eeuw en dag,
de toverkunst begraven lag;
wanneer een kerkedienaar kwam
die 't oud gebrek ter harte nam
en op een morgen na 't sermoen
zijn woord aldus begon te doen:

‘Mijn vrienden, in mijn prille tijd,
ten herder van dit oord gewijd,
zwom ik, met onbezweken trouw,
mijn kudde voor naar 't kerkgebouw.
Ook heden nog, hoe grijs van kin,
schoot ik getroost de slibkuil in,
maar 't wil niet meer, en blijft het dus,
zo heet ik ras emeritus.
Met droge hoest en jicht bezocht,
verlaat mij kracht en ademtocht.
Nog tweemaal als vandaag doorweekt,
eilaas, dan heb ik uitgepreekt!

Een brug, op 't smalste, naast de voord,
uit planken van 't geringste soort,
ziedaar mijn wens! Vergeet toch niet
wat ge in die poel al schoenen liet!
Denk aan uw kostlijk zondagsgoed
bedorven door die moddervloed!
Licht vindt gij eer het werk verjaart
uw uitschot dubbel ingespaard,
en ik behoef dan baai noch drop
en luik weer als een arend op!’ 

Hier zweeg de man. Zijn aanspraak had
de luidjes bij hun zwak gevat.
Het stuk kwam ernstig op 't tapijt,
en wat men hoorde, wijd en zijd,
was viermaal dertig dagen lank
slechts palen, balken, rib en plank
en, driemaal dertig andermaal,
slechts planken, ribben, balk en paal!
Ja, 't scheen, zo ver de Berkel vloeit
zou ieder boord met hout beschoeid,
of dat een reuzenzoldering
de ganse stroom verdekken ging.
Doch met aprilmaands leste dag
moest blind zijn die de brug niet zag!
Nog blinder die met juli kwam
en niets van 't groen portaal vernam,
ter dankbetonende offerand,
door 't maagdengild daarop geplant! 

't Had reden! want, hoe kerks men was,
de vlierpot bleef nu in de kas,
kalmink noch serge liep gevaar,
en schoenloos werd geen wandelaar.

Zo groeide een wijsgegeven raad
ten milden oogst van zegenzaad!
En toch, dat werk, met roem bedekt,
had Scholte Stugginks grief gewekt!
Daar kwam hij! Zonder ba of boe,
gelaarsd tot aan de heupen toe,
een knubbelstok in iedre hand,
kwam onze Paai, en stak van land,
zo vaak de preekklok werd gehoord,
de brug bezijden, in de voord! 

Het vroegte kerkvolk, droog daarnaast,
was van dit vreemd bedrijf verbaasd
en 't vragen keek uit elk gezicht,
doch ieder hield zich wijslijk dicht:
de troep kwam later op het pad
waar Scholte Stuggink praat voor had:
zijn makkers uit de gulden tijd,
die vlieger, tol en bal verblijdt.

't Waarom en 't hoe bleef dus gespaard
tot Wolter, naar den eis bejaard,
door gunstig toeval juist van pas,
getuige van 't spektakel was.
‘In Goos naam, zeg ons, Scholtebuur,’
hief Wolter aan, ‘wat raarder kuur!
hoe plompt gij ons zo dol voorbij?
geloof, de brug draagt u en mij!’ 

‘Ja,’ klonk het uit de modderzee,
‘de Scholtebuur en gij zijn twee!
gelooft hij niet wat gij gelooft:
zo menig mens, zo menig hoofd. 

Ziedaar! al werd uw brug van steen
toch zal ze Stuggink nooit betreen!
Wie ere geeft krijgt eer weerom:
onze ouders waren ook niet dom!
Een brug valt licht ineen te slaan;
onze ouders hebben 't nooit gedaan;
zij gingen waar nu Stuggink gaat
eeuw in eeuw uit de modderstraat. 

Al weten wij de reden niet,
't is vast op goede grond geschied,
en hebt gij hier een brug gemaakt,
zo hebt ge uw' ouders eer geraakt!
Laat dit genoeg zijn, Wolterbuur;
de klok houdt op; 't is negen uur.
Bouwt gij een brug om droog te gaan?
Ik kom er ook, met laarzen aan!

Het gedicht “De hoofdige boer” van A.C.W. Staring is als stripverhaal verkrijgbaar, getekend door Marc Weikamp: www.museumstaal.nl/stripboek-de-hoofdige-boer

maandag 28 mei 2018

Hoe DSM rendabel bleef door focus op kerntaken

In 1989 werd DSM een beursgenoteerde onderneming en was het dus niet langer een staatsbedrijf. Om het economisch zwaar weer dat daarna volgde door te komen, nam het bedrijf de nodige maatregelen, waaronder het afstoten van niet-kerntaken op het huidige Chemelot Industrial Park.

Swentibold-centrale voor stoom en stroom

Focus en internationalisatie – productie
In het begin van jaren 90 verkeerde DSM in economisch zwaar weer. Gedurende 1991-1995 liep het programma Concern 2000, dat zou leiden tot decentralisatie en het afstoten van niet-kerntaken. Dit resulteerde in een personeelsreductie (voor heel DSM) van 24.800 naar 17.600 medewerkers.
In 1991 droeg DSM de poederverven over aan AKZO, terwijl AKZO een aantal engineering plastics aan DSM overdroeg.

In Geleen werden door DSM slechts op bescheiden schaal nieuwe activiteiten gestart. In 1993 startte DSM een fabriek waar SMA (styreen-maleïnezuuranhydride) werd geproduceerd, maar die in 1997 alweer werd stilgelegd in verband met de geringe schaalgrootte van de activiteit. In 2006 werd de fabriek overgenomen door het pas gestarte bedrijf Polyscope Polymers, waarvoor de schaalgrootte geheel anders lag. SMA wordt onder meer in de automobiel- en papierindustrie afgezet.

Het DSM-terrein in Geleen was een geïntegreerd chemisch complex, wat mogelijkheden bood om de benodigde utilities – stroom, stoom, gassen – gezamenlijk te produceren, terwijl reststromen tussen fabrieken werden uitgewisseld. Dit geldt tot op heden, maar tot 1996 werden de utilities door DSM zelf geproduceerd. In dat jaar werden deze activiteiten, inclusief de Swentibold-centrale, overgedragen van DSM Utilities op EdeA, een dochteronderneming van de regionale elektriciteitsmaatschappij (indertijd PLEM, tegenwoordig Essent). Tegenwoordig is EdeA geïntegreerd in USG, de Utilities Support Group. De Swentibold-centrale, een warmte-krachtcentrale voor de productie van stoom en stroom, wordt tegenwoordig geëxploiteerd door Essent.

Binnen tien jaar werden ook andere diensten door DSM overgedragen. Bijvoorbeeld onderhoud aan Stork en GTI (nu Cofely), het interne spoorwegvervoer aan DB Schenker, het laboratorium Polychemlab (vooral monsteranalyse ten behoeve van kwaliteitscontrole) aan het Britse bedrijf Intertek, de op- en overslag (vooral van meststoffen) in de haven Stein aan Wessem Port Services en de centrale afvalverwerking (CBA) aan Van Gansewinkel (tegenwoordig Renewi).
De bedrijfsbrandweer (opgericht in 1925), de beveiliging, de algemene infrastructuur (wegen, spoorwegen, kolommenbanen, rioleringen) en afvalwaterzuivering werden voortgezet door Sitech Services (sinds 2009).

Plastomeren-fabriek

De Staat verkocht haar laatste DSM-aandelen in 1996. In datzelfde jaar gingen DSM en ExxonMobil onder de naam DEXPlastomers een joint venture aan, waarbij ExxonMobil de technologie leverde en DSM een HDPE-fabriek. Dit bedrijf produceert sinds 1997 LLDPE (lineair lagedichtheidpolyethyleen, oftewel plastomeren), wat het midden houdt tussen polyolefinen (PE/PP) en synthetische rubbers. Deze plastomeren worden onder meer in verpakkingen toegepast.
In 2012 werd de joint venture verkocht aan het Oostenrijkse chemiebedrijf Borealis Plastomers.

Focus en internationalisatie – onderzoek
DSM Research zocht in de jaren 90 steeds vaker samenwerking met universiteiten in binnen- en buitenland. In 1997 werd door de industrie en universiteiten het Dutch Polymer Institute te Eindhoven opgericht voor pre-competitief onderzoek naar polymeren. Hiermee werd het onderzoek door DSM verbreed naar fundamenteel onderzoek, bijvoorbeeld naar een nieuwe generatie katalysatoren voor polyolefinen. Ook ging DSM steeds meer onderzoek verrichten in samenwerking met andere bedrijven – open innovatie.
De basis daarvoor was kennis over katalysetechnologie, procestechnologie en producttechnologie.

In 1998 formuleerde DSM een nieuwe strategie, waarbij de focus kwam te liggen op materials & life science-producten, oftewel een verschuiving richting minder cyclische activiteiten. De (bulk)producten die in Geleen werden geproduceerd werden geclusterd in “Polymers & Industrial Chemicals” en voorzien van het strategische motto ‘actively maintain’ (actief handhaven).
In 2000 lanceerde DSM een nieuwe strategie met grote gevolgen voor het DSM-terrein in Geleen: Vision 2005.

Lees ook “Hoe het onder de grond begon”, “De ontdekking van de Mijngod”, “De eerste transitie: van steenkool naar chemie”, “Toen het donkerder werd dan in een mijnschacht”, “Hoe DSM zich tot chemiebedrijf ontwikkelde”, “Hoe DSM een sprong voorwaarts maakte” en “DSM van bulk naar hogere toegevoegde waarde”.

maandag 7 mei 2018

De macht van de dagelijkse dingen geëtaleerd

Wij worden allen omringd door allerlei voorwerpen, een situatie zo triviaal dat we ons dat amper bewust zijn. De expositie “Object Love” in Museum De Domijnen te Sittard, over onze intieme, emotionele relatie met dingen, drukt ons evenwel met de neus op dit feit. Laten we eens horen wat kunstenaars te hierover te zeggen hebben.


Furniture Bondage (2007)
Melanie Bonajo

Voor de meeste mensen zijn de dagelijkse dingen tot hulp, simpelweg en vanzelfsprekend. De tentoonstelling “Object Love” laat zien dat kunstenaars voor onze relatie met dingen een bijzondere gevoeligheid hebben ontwikkeld. Hierbij komen vier thema’s aan de orde:
  1. Lichamen en dingen
  2. Waarom houden mensen van dingen
  3. De opkomst van de consumptiemaatschappij (de ballast van de dingen)
  4. De technologische revolutie (de dingen worden steeds slimmer).
Luister tijdens het lezen van dit artikel naar “Living In a Material World” van Madonna.

Lichamen en dingen
Over hett thema 'Lichamen en dingen' zegt de Nederlandse kunstenares Yvonne Dröge-Wendel: ”Zonder dingen kunnen we niet overleven, anders waren we nog primaten. We brengen meer tijd door met dingen dan met mensen. We leven ermee en zijn de hele dag met ze in contact. Diep in ons hart houden we van dingen. We hebben meer fysiek contact met onze geliefde dingen dan met onze beste vrienden.
Dat zij in 1992 als blijk van haar liefde voor de dingen met een dressoir van het merk Wendel trouwde, past in haar redenatie, die een verbinding legt met filosofen als Bruno Latour (de Actor-Network Theory) en Peter-Paul Verbeek (de Theory of Technological Mediation).

Een huwelijk tussen een mens en een ding is in mijn ogen bizar, maar er is aanleiding om de positieve en negatieve invloed van dingen en de daarachter liggende technologieën op het menselijk gedrag te overdenken.

Installatie (2015)
Olaf Mooij

De Nederlandse kunstenaar Olaf Mooij zegt: “Als we vroeger een lange autorit hadden gemaakt, klopte mijn vader vriendelijk op de motorkap en zei: goed gedaan, jochie. Zo kwam ik op het idee om auto’s een leven te geven. Mensen hebben een persoonlijke band met auto’s. Een auto is een statussymbool. Als je erin zit, is dat hoe je je aan de anderen presenteert. De auto is je identiteit.

Freudsche Rektifizierung / Freud’s Rectificatie (2004)
Erwin Wurm

De Oostenrijkse kunstenaar Erwin Wurm zegt: “Ik verzamel vuurstenen, de alleroudste werktuigen. Sommige zijn wel een miljoen jaar oud! Prehistorische mensen deden er van alles mee, van huiden bewerken tot kleding fabriceren. Gaandeweg werden de vuurstenen steeds gladder en kregen ze ook een spirituele lading en sociaal prestige. Ons lichamelijke bestaan is slechts één aspect van het menszijn. Je bestaat uit een lichaam maar ook uit al die andere dingen, zoals je huis of je auto. Die zeggen ook iets over jou. Ik ben ook geïnteresseerd in de psychologische kant.

Verzameling porselein
Vika Mitrichenko

Waarom houden mensen van dingen
Haar porseleinen servies had misschien niet zoveel historische of artistieke waarde, maar volgens de Wit-Russische kunstenaar Vika Mitrichenko was het voor zijn grootmoeder een grote schat: “Je kon de kopjes niet alleen gebruiken, ze waren ook de hoeders van haar herinneringen. Als er scherfjes afsprongen probeerde grootmoeder ze weer vast te lijmen. En als er onderdelen ontbraken, verving ze die door andere stukken porselein, gedreven door het onmogelijke verlangen om het verleden terug te halen naar het heden.

Staging Silence (2012)
Hans Op de Beeck
bekijk de animatie

De Belgische kunstenaar Hans Op de Beeck zegt: “Mijn werk is geen aanklacht tegen de technologische maatschappij. Ik ben niet tegen vooruitgang. De condities veranderen, we gaan anders met tijd en ruimte om. Vroeger was het niet beter, alleen anders. ‘Staging Silence’ is een schouwtoneel van het leven in verschillende bedrijven. Daarbij vormen de dingen slechts het decor. Het gaat mij om de stilte. Om een moment van onthechting en het bewustzijn van het leven dat aan je voorbij trekt. Zoals Milan Kundera zegt: we zijn zo licht als een pluimpje. Vanuit een vliegtuig bezien zijn wij zo klein als een mier. We stellen niets voor in het licht van de eeuwigheid. Je moet omgaan met die sterfelijkheid. Dat is de basis van alles.

Furniture Bondage (2007)
Melanie Bonajo

De opkomst van de consumptiemaatschappij
Voor de Nederlandse kunstenares Melanie Bonajo zijn de dingen ballast. Zij zegt: “Als volwassene draait mijn leven om spullen. Ik was altijd bezig mijn spullen van A naar B te verplaatsen en ik kreeg het gevoel dat de dingen mij beheersten in plaats van andersom. Dingen brengen verantwoordelijkheden met zich mee. Hoeveel tijd ben ik wel niet kwijt om de dingen die ik heb te onderhouden? Zo kwam ik op het idee om vrouwen te fotograferen die letterlijk gebukt gaan onder de spullen. Ze stikken bijna in hun bezit.

Self-Portrait as Part of the Porcelain Export History (1999-2001)
Ni Haifeng

De Chinese kunstenaar Ni Haifeng zegt: “In ‘Self-Portrait as Part of the Porcelain Export History’ presenteer ik mijzelf als onderdeel van de productie van die specifieke geschiedenis. Politieke en economische aspecten van export en import drukken hun stempel op het lichaam van een hedendaags individu. Alsof het verleden het heden nog steeds achtervolgt. Het gaat mij erom opnieuw te definiëren wie je bent. In dit werk herschrijf ik de geschiedenis door middel van mijn eigen lichaam, met gebruik van de stereotype beelden over ‘de Chinees’.

Pet’s Marktplaats – Buitengewone collecties (2011)
Pet van de Luijtgaarden

De gemiddelde Europeaan bezit 10.000 voorwerpen. De Nederlandse kunstenaar Pet van de Luijtgaarden laat de impact van onze consumptiemaatschappij zien. Hij koopt verzamelingen op Marktplaats en ordent ze tot megaverzamelingen, waarmee hij hele museumzalen vult: Lego-bouwstenen, speelgoedautootjes, puntenslijpers, aanstekers, knuffels, videobanden, enzovoort, met petjes op de achtergrond.
Hij zegt: “Ik vind het absurd hoeveel spullen we bezitten. We brengen meer tijd door met dingen dan met mensen. Mensen drijven van elkaar af, het is ieder voor zich. We leven in een megaconsumptiemaatschappij, waar het gaat om kopen, kopen en zoveel mogelijk willen hebben, zonder ons af te vragen of we het wel nodig hebben. Laten we daarmee stoppen. Laten we ook eens kijken wat we bezitten en dat mooi uitstallen. We hebben zulke mooie dingen.

Flooded McDonalds (2009)
Superflex
bekijk de animatie

Flooded McDonald's’ is een episch en duister verhaal, met mythologische, apocalyptische en Bijbelse verwijzingen, maar we wilden het zo subtiel mogelijk houden,” verklaart het Deense driemanschap Superflex. “Het is het verhaal van het langzame maar voortschrijdende proces van vernietiging, waarover de media elke dag verslag doen. De film verwijst naar overstromingen zoals de orkaan Katrina in 2005, maar ook naar de bezorgdheid over de gevolgen van de klimaatverandering. Flooded McDonald’s verwijst naar de structuren van het mondiale kapitalisme en massaconsumptie. Wie neemt er persoonlijk verantwoordelijkheid voor de gevolgen van het broeikaseffect?

Geënsceneerde foto uit beeldverhaal 'Harrekrammele' (2014)
Machiel Braaksma

De technologische revolutie: dingen worden steeds slimmer
De Nederlandse kunstenaar Machiel Braaksma zegt: “Mijn atelier is een landschap van dingen. Ik word geïnspireerd door de potentie van de dingen om te transformeren. We denken de dingen te kennen, maar ze sluimeren in onze kastjes, wachtend tot ze tot leven worden gewekt. Net zo goed als ze weer kunnen uiteenvallen, alsof ze er nooit geweest zijn. Het is een soort magie.

Locomotief (2014)
Machiel Braaksma

De expositie “Object Love” is tot en met 2 september 2018 te zien in het Museum De Domijnen voor Hedendaagse Kunst te Sittard, meer informatie: https://www.dedomijnen.nl/tentoonstellingen/expositie/object-love.
Meer informatie over de actor-netwerktheorie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Actor-netwerktheorie
En over de Theory of Technological Mediation (in het Engels): https://ppverbeek.wordpress.com/mediation-theory.

maandag 23 april 2018

Wie wil kennismaken met de Starre Kolos?

Wij – een groepje liefhebbers, waartoe ik ook mezelf reken – hebben er weer zin in: op de fiets door de Franse Alpen. En dan niet naar de minste bergpassen! Wie heeft ook trek?


Uitzicht vanaf de Col du Galibier (2642 m)
Bij goed weer zie je de Mont Blanc

De Maurienne-vallei vormt het hoofdpodium van de meerdaagse fietsvakantie in de Franse Alpen, die ik momenteel organiseer. Deze fietsvakantie is van donderdag 28 juni t/m maandag 2 juli 2018, met als uitvalsbasis Orelle, gelegen op ongeveer 800 m hoogte, ongeveer halverwege St. Jean-de-Maurienne en Modane.

Programma
Vanuit Orelle maken we drie dagtochten:
  • Donderdag 28 juni: reis naar de Franse Alpen (940 km), accommodatie in Orelle (nog enkele plaatsen beschikbaar).
  • Vrijdag 29 juni: beklimming van de Col de la Madeleine (op 1999 m, 1 Michelinster): heen+terug ca. 90 km, ca. 1800 hoogtemeters.
    Optioneel: op de terugweg beklimmen we Les Lacets de Montvernier (op 787 m).
    Dit voegt 7 km en 300 hoogtemeters aan de tocht toe.
    Col de la Madeleine: www.cyclingcols.com/col/Madeleine
    Les Lacets de Montvernier: www.cyclingcols.com/col/Montvernier
  • Zaterdag 30 juni: beklimming van de Col du Mollard (op 1630 m, 1 Michelinster), gevolgd door de Col de la Croix de Fer (op 2064 m, 2 Michelinsterren), terug via St. Jean-de-Maurienne: ca. 86 km, ca. 2100 hm.
    Col du Mollard: www.cyclingcols.com/col/Mollard
    Col de la Croix de Fer: www.cyclingcols.com/col/CroixDeFer
  • Zondag 1 juli: beklimming van de Col du Télégraph (op 1566 m, 1 Michelinster), gevolgd door de Col du Galibier – de “Starre Kolos“ (op 2642 m, 3 Michelinsterren), met pauze op de terugweg in Valloire (1 Michelinster): heen+terug ca. 70 km, ca. 2200 hm.
    Col du Télégraph: www.cyclingcols.com/col/Telegraphe
    Col du Galibier: www.cyclingcols.com/col/Galibier
  • Maandag 2 juli: thuisreis.
Voor meer info verwijs ik naar de website Cycling Cols: www.cyclingcols.com.

Sfeer en doelstellingen
Om deze fietsvakantie tot een onvergetelijke ervaring te maken, geldt het volgende:
  • Het sociale karakter staat voorop: de ontmoeting tussen mensen met een gemeenschappelijke passie, fietsen
  • Op de tweede plaats komt het toeristische aspect: de fietstochten voeren door een prachtig berglandschap, waarvan iedereen kan genieten
  • Pas op de derde plaats komt de sportieve prestatie.
Er is dus tijd voor een goed gesprek en rondkijken. Wie geen topconditie heeft kan ook mee, je rijdt in je eigen tempo naar boven. Niettemin staat het iedereen vrij om zo snel mogelijk het hoogste punt te bereiken.

Tijdens eerdere fietsvakantie stond deze formule garant voor een geslaagde vakantie, waarbij enkele regenbuien en mist de sfeer niet konden bederven. Het weer krijg ik nog steeds niet perfect georganiseerd, ondanks brandende kaarsen voor het raam en het bezorgen van worsten bij St. Clara én – just to be sure – bij St. Brigida.

Uitrusting en veiligheid
Deelnemers aan deze fietsvakantie starten met een (ren)fiets in goede technische staat: goed werkende remmen, goede banden, adequaat schakelwerk (een licht verzet, bv. 34-28, is in de bergen aan te bevelen).
En je hebt materiaal bij je om onderweg eenvoudige reparaties uit te voeren.

Fietshelm is verplicht en denk aan je kleding: in de bergen kan het weer snel omslaan.
Zonnebrandcrème is er onmisbaar (we rekenen op stralend weer – dankzij die worsten).

Je houd je uiteraard aan de geldende verkeersregels. Zo geldt in Frankrijk: naast elkaar fietsen mag, alleen overdag en alleen als er geen auto’s zijn die de fietsers willen inhalen.

Reizen en accommodatie
Ik heb accommodatie geregeld in Orelle, er zijn nog slechts enkele plaatsen beschikbaar.
In onderling overleg regelen we de heen- en terugreis, die gedacht is met eigen vervoer.
Voor het overige rekenen we op zelfredzaamheid – dat geldt ook voor het opdoen van voldoende fysieke conditie.

Juridische aspecten
Deelname aan deze fietsvakantie is op eigen risico. Het lidmaatschap van de NTFU wordt dringend aanbevolen, want dan ben je (extra) verzekerd.
NTFU: www.ntfu.nl/fietsers/lid-worden

Kosten
Deelname aan deze fietsvakantie is voor eigen rekening, waarbij we proberen de kosten zoveel mogelijk te delen. Ook proberen we uiteraard de kosten laag te houden.

Belangstelling?
Heb je belangstelling om mee te gaan met deze fietsvakantie? Er zijn nog slechts enkele plaatsen beschikbaar, dus laat het snel (uiterlijk 13 mei) weten. Stuur voor meer informatie een e-mail naar klaas.bos @ gmail.com.

maandag 16 april 2018

How DSM developed into a chemical company

In the 1950s and 1960s, DSM invested heavily in research to keep up competition with companies like DuPont, BASF, and ICI. This research and the resulting industrial production were located at today’s Chemelot.


 Urea plant
DSM Fertilizer Works, 1962
DSM, www.deMijnen.nl

Urea
Urea is a fertilizer, made from carbon dioxide and ammonia, that can also serve as feedstock for plastics and resins. BASF had begun producing urea in 1922, but DSM did not start its first urea plant until 1952. DSM developed into the global technology leader in the field of urea. The technology was licensed to companies all over the world by DSM’s licensing subsidiary Stamicarbon (which was sold to Maire Tecnimont in 2009).

Caprolactam plant

Caprolactam
When DSM decided to develop a feedstock for synthetic fibers, the choice was caprolactam, a feedstock for polyamide (PA). Polyamides come in different types, and in 1938 DuPont had started producing one such type under the Nylon brand name, which has meanwhile become a generic name. IG Farben followed shortly afterwards. DSM based itself on the German process – the relevant knowledge became available to DSM after World War II through the Farben patents, handed over as part of the German reparation payments. The process started with phenol, which was obtained from coke oven gas.

The caprolactam plant was started 65 years ago, in 1952. As a byproduct of the caprolactam production process large quantities of ammonium sulfate were obtained. Research resulted in the HPO process (hydroxylamine phosphate oxime), which dramatically reduced the quantity of ammonium sulfate. Although the research had been begun in 1965, DSM did not start the HPO plant until 1977. The time in between was needed to solve problems with respect to the chemical process, catalysts, reactors and scaling up. Almost all caprolactam was sold through the Dutch company AKU (Algemene Kunstzijde Unie), a predecessor of today’s AkzoNobel.

Polyethylene plant

Polyethylene
Polyethylene (PE) was discovered in 1933 when ICI’s Reginald Gibson polymerized ethylene under very high pressure. In 1953, Karl Ziegler (1898-1973) of the Max Planck Institut für Kohlenforschung developed a second polyethylene process; in this process, ethylene was polymerized at atmospheric pressure with the aid of a catalyst. The ICI process yielded LDPE (low-density polyethylene, or high-pressure PE), whereas the Ziegler process resulted in HDPE (high-density polyethylene, or low-pressure PE).
DSM had ethylene available from coke oven gas. In 1957, DSM decided to develop both the ICI and the Ziegler processes.
The first LDPE plant was started in 1959 on the basis of technology purchased from ICI and Spencer Chemical Company. Plastic’s many applications substantially raised the standard of living.

At some point, the quantity of ethylene obtained from coke oven gas proved insufficient, and in 1961 a naphtha cracker was put on stream – a milestone, for this was the first time DSM did not use a coal-based feedstock.
In 1962, the HDPE plant was started, based mostly on new DSM technology, a further development of the Ziegler process.

Rubber plant

Synthetic rubber
Giulio Natta of the Milan Polytechnic had discovered that ‘Ziegler-like’ catalysts could also be used to prepare polypropylene (PP) and synthetic rubbers. While DSM could obtain propylene from coke oven gas and from the naphtha cracker, it had problems developing a production process for polypropylene that did not infringe Natta’s patents. DSM did not start producing polypropylene until 1977.
Synthetic rubber (or elastomers) is a copolymer made up of several monomers. On the basis of its HDPE know-how DSM developed the synthetic rubber EPDM, which was composed of ethylene, propylene, and dicyclopentadiene (DCPD). DSM procured a DCPD license from the Dunlop company in the UK. In 1967 – 50 years ago, the EPDM plant was started and DSM developed into a world market leader. The product (with its Keltan brand) has many applications in the building sector and the automotive industry.
In 1963, Ziegler and Natta jointly received the Nobel Prize for Chemistry.

Melamine plant

Melamine
Polyethylene, polypropylene, and synthetic rubber are so-called thermoplastics: plastics that become soft at a high temperature. Thermosets are a different type of plastics: they remain hard at high temperatures. In the 1920s, the Bakelite company produced the Bakelite synthetic resin, a thermoset, from phenol and formaldehyde. In 1936, Swiss-based CIBA started producing a synthetic resin called melamine, which example was followed by other companies, such as American Cyanamid. Melamine applications included the laminate on tables and counters.
DSM developed its own melamine process based on the American Cyanamid production process, with urea as feedstock. In 1967, the melamine plant was started, one of the first in the world for industrial-scale production of melamine from urea.

With caprolactam, polyethylene, EPDM and melamine, DSM had transformed itself from a fertilizer producer into a chemical group. The guiding principle was diversification based on existing raw materials, such as coke oven gas and ammonia, and the use of knowledge previously gained with other activities, such as mining and fertilizer production.
DSM remained depending on coal for a long time, because the switch to natural gas and oil proved to be difficult. In the 1960s, coke oven gas as raw material for ammonia was replaced by natural gas, which became abundantly available after its discovery, on 22 July 1959, in the fields of farmer Boon in Slochteren, in the Province of Groningen.

Lysine
Not all developments were as successful, as the lysine project shows. Lysine is an amino acid that man and animal can take up almost exclusively from animal sources. So, DSM directed its research efforts towards this amino acid in 1957. Lysine was for instance tested in test animals that were kept in the vicinity of the Central Laboratory.
In 1968, the lysine plant was started, but by then it had become clear that biotechnology provided an easier way to manufacture lysine than the chemical route DSM had taken. To cut its losses, the company shut down the plant after six months. Still, the failure with lysine turned out to be a blessing in disguise, since it provided the basis for further diversification of DSM in the fine chemicals sector.

DSM has meanwhile divested all the activities mentioned above. The caprolactam and ammonium sulfate plant now belong to Fibrant, which positions itself with the slogan "Pure Chemistry Since 1952". The naphtha crackers and the polyethylene and polypropylene plants at Chemelot are now owned by the Saudi Arabian company SABIC, one of the largest chemical companies in the world. The rubber plant is owned ARLANXEO, since 2016 a joint venture of LANXESS and Saudi Aramco. And the urea and melamine plants are, like the ammonia and fertilizer plants, owned by OCI Nitrogen.

Read also “How it started underground”, “The first transition: from coal to chemicals” and “When it went darker than in a mine shaft”. “And then there was the next Dutch winner!” is interesting too.
This is a repost of my (Dutch) December 11, 2017 post.
Read my May 20, 2013 blog post about the reason why of my English reposts.

maandag 9 april 2018

DSM van bulk naar hogere toegevoegde waarde

In 1982 leed DSM voor het eerst in zijn bestaan een groot verlies. Bovendien was de groei eruit bij de bulkchemicaliën, die op het huidige Chemelot Industrial Park werden geproduceerd. Daarom zette het bedrijf in op consolidatie en rationalisatie in de bulkchemie en op groei in kennisintensieve producten met een hoge winstgevendheid.


Grondstoffenfabriek voor Dyneema

Aanvankelijk werden onderzoeksbudgetten gesnoeid en werd het aantal onderzoekers verkleind. Innovatief onderzoek kon pas weer van de grond komen nadat DSM van het verlies in 1982 was hersteld. Dit onderzoek richtte zich op biotechnologie en hoogwaardige materialen.

Dyneema
Het principe achter Dyneema, een ijzersterke vezel, werd omstreeks 1963 bij toeval ontdekt. DSM-onderzoekers gebruikten een roerwerk om een polyetheen-oplossing van gelijkmatige temperatuur te verkrijgen. Op de roerders vormden zich polyetheen-kristallen. Verder onderzoek leidde tot polyetheen-vezels: Dyneema. Men wist echter niet hoe men die vezels moest toepassen en er was geen proces waarmee het op industriële schaal geproduceerd kon worden. In 1979 vroeg DSM een patent aan voor een spinproces, maar het ontbrak aan voldoende kennis over spinnen, de ontwikkeling van toepassingen en marketing. Er werd een partner gezocht die wél over deze kennis beschikte: het Japanse bedrijf Toyobo, waarmee in 1986 een joint venture werd aangegaan. Ondertussen had het Amerikaanse bedrijf Allied Signal op basis van een licentie van DSM zelf een spinprocédé ontwikkeld.
In 1990 startte de productie van Dyneema op industrieterrein De Beitel bij Heerlen, terwijl voor de grondstof UHMW-PE (ultrahoog-moleculair polyetheen) een fabriek op Chemelot werd gestart. Toyobo verkocht de vezel voornamelijk in het Verre Oosten, Nieuw-Zeeland en Australië, Allied vooral in de Verenigde Staten en DSM in de rest van de wereld.
Dyneema is een sterke, stijve, lichte vezel, bestand tegen uv-straling en vele chemicaliën. Het bleek geschikt te zijn om andere materialen in bestaande toepassingen te vervangen. Toen de fabriek startte werden drie markten onderscheiden: touwen en kabels, bescherming tegen kogels en in composieten (bv. helmen, tennisrackets en ski’s). Dyneema vond ook toepassing in andere markten en werd een succesverhaal.

Aspartaam
De kans deed zich voor dat DSM aspartaam kon produceren, een zoetstof die ongeveer 200 keer zo zoet is als bietsuiker, maar met minder calorieën. Aspartaam was in 1965 ontdekt door het Amerikaanse bedrijf Searle. Het kostte veel moeite om het product als voedingsingrediënt goedgekeurd te krijgen, aangezien er twijfel was over de veiligheid. Frankrijk was het eerste land dat in 1979 het product toeliet. Searle (vanaf 1985 Monsanto) verkocht aspartaam daarna onder de naam NutraSweet, dat vooral in frisdranken werd toegepast. Searle had het product in vele toepassingen met patenten beschermd.
DSM had sinds 1966 ook aan aspartaam gewerkt als onderdeel van het lysine-onderzoek (lees “Hoe DSM zich tot chemiebedrijf ontwikkelde”) en in 1972 een aspartaamproces gepatenteerd. Het product bestond uit zgn. ‘chirale moleculen’, moleculen die elkaars spiegelbeeld zijn, maar waarvan één zoet smaakte en de ander bitter. In 1985 ging DSM een joint venture aan met het Japanse bedrijf Tosoh onder de naam Holland Sweetener Company. Tosoh had een methode gevonden om met behulp van een enzym alleen de zoete fractie van aspartaam te produceren – evenals bij lysine won de biotechnologie van de chemie. In 1988 werd op Chemelot een fabriek opgestart nadat het patent van Searle voor de Europese markt was verlopen.
In 2006 werd de productie van aspartaam beëindigd als gevolg van hevige concurrentie uit Azië, met name China – aspartaam was een commodity geworden.

Andeno
In 1987 nam DSM het fijnchemisch bedrijf Andeno in Venlo over van Océ-Van der Grinten. Sindsdien is de geschiedenis van DSM niet langer beperkt tot Chemelot. Er volgden meer overnames (buiten Geleen), zoals Gist-Brocades (1998), de divisie Roche Vitamins & Fine Chemicals (2003), Martek (2011), ONC, Kensey Nash, Fortitech (2012), Tortuga (2013) en Aland (2015).

Stanyl-fabriek

Stanyl
In de jaren 80 richtte het onderzoek in de bulkchemie zich op energie-efficiëntie en lager grondstoffengebruik. Ook werd veel onderzoek gedaan naar alternatieve productieprocessen, voor caprolactam, ammoniumsulfaat en melamine. Het bleek echter niet rendabel om deze processen in bestaande fabrieken toe te passen of om bestaande fabriek te vervangen.
Een diversificatie op basis van acrylonitril was de ontwikkeling van nylon 4.6 onder de naam Stanyl. Dit type nylon is bestand tegen hoge temperaturen en is stootvast. Commerciële productie startte in 1990. Deze engineering plastic werd vooral in elektronica toegepast. In vergelijking met caprolactam is Stanyl geen grondstof voor nylon, maar een nylon op zich.

Carbolim
In 1985 gingen Air Liquide en ACP een joint venture aan: Carbolim, het eerste niet-DSM-bedrijf op Chemelot. De samenwerking betrof een CO2-productieplant; deze CO2 is een bijproduct van de ammoniaksynthese. De kooldioxide wordt onder meer toegepast in frisdranken en mineraalwater, voor het inertisering van tanken en processen, voor de groeistimulatie van planten in kassen en voor de foaming van kunststoffen.

PVC-fabriek

Eerste desinvestering: LVM
In 1988 verkocht DSM de PVC-fabriek uit 1972 (lees “Hoe DSM een sprong voorwaarts maakte”) onder de naam Limburgse Vinyl Maatschappij (LVM) aan het Belgische bedrijf Tessenderlo Chemie – de eerste in een reeks desinvesteringen die doorloopt tot 2015. Deze transactie hield verband met de maatschappelijke weerstand die tegen PVC was gerezen na problemen met dioxine-emissies uit PVC-afval in vuilverbrandingsinstallaties.
In 2011 werd de PVC-activiteiten van Tessenderlo Chemie overgenomen door het Britse bedrijf INEOS ChlorVinyls. Nu is de fabriek van Vynova, een onderdeel van ICIG, dat zich toelegt op vinylchlorides, met fabrieken in Tessenderlo, Wilhelmshaven, Mazingarbe, Runcorn en dus op Chemelot. ICIG (International Chemical Investors Group) is een Luxemburgs-Duitse industriële investeringsmaatschappij, waaronder ook Enka valt (voorheen AkzoNobel).

De grondstoffenfabriek voor Dyneema en de Stanyl-fabriek op Chemelot zijn nog eigendom van DSM, zij het dat de UHMW-PE-fabriek bediend wordt door personeel van SABIC. De voormalige opslagloods van Holland Sweetener Company maakt nu deel uit van Brightlands Chemelot Campus, hier zijn de cleanrooms van Lonza Nederland en Chemelot InSciTe ondergebracht. De vestiging in Venlo werd enkele jaren geleden door DSM gesloten.

Lees ook “Hoe het onder de grond begon”, “De ontdekking van de Mijngod”, “De eerste transitie: van steenkool naar chemie” en “Toen het donkerder werd dan in een mijnschacht”.