maandag 4 juni 2018

Hoe Gelderland ook mij mooie – culturele – streken leverde

De Achterhoek is niet alleen aantrekkelijk vanwege het mooie coulisselandschap, ook liefhebbers van kunst en cultuur komen er aan hun trekken. Ik geef je drie interessante plaatsen.


Kasteel Ruurlo

Museum MORE
Middenin Gorssel staat een gebouw dat in dit dorp qua omvang uit de toon valt: Museum MORE voor modern realisme. Het museum is dankzij zakenman en mecenas Hans Melchers tot stand gekomen. Toen wij er waren werden vier Nederlandse schilders uitgelicht: Floris Verster, Jan Mankes, Dick Ket en Henk Helmantel. Dit zijn kunstenaars die, met oog voor detail, de zichtbare werkelijkheid als uitgangspunt nemen. Door de overheersende abstracte stroming van hun tijd kregen ze niet altijd erkenning vanwege hun ambachtelijkheid en techniek; men vond dat ouderwets.

Donkere pioenen in een aardewerken pot
Floris Verster (1890)

Floris Verster (1861-1927) woonde sinds zijn huwelijk in 1892 op landgoed Groenoord bij Leiden. Tot zijn werk behoren uitbundige bloemstillevens en landschappen. De schilder verdronk in de vijver in de achtertuin van het landgoed.

Gemberpot met tulpen
Floris Verster (1913)

Zelfportret
Floris Verster (1921)

Bomenrij
Jan Mankes (1915)

De schilder en graficus Jan Mankes (1889-1920) was getrouwd met Anne Zernike, de eerste vrouwelijke predikant van Nederland. Hij schilderde vooral de natuur. Omdat zijn werk een zekere stilte uitstraalt, werd hij wel “Hollands meest verstilde schilder” genoemd. Hij overleed aan tuberculose.

Jonge witte geit
Jan Mankes (1914)

Zelfportret
Jan Mankes (1915) 

Dubbelportret van de schilder en zijn vader
Dick Ket (1929/1940)

Dick Ket (1902-1940) was door ziekte aan huis gebonden. Daarom schilderde hij voorwerpen die in zijn ouderlijk huis voorhanden waren. Hij geloofde in twee tegengestelde werelden: de materiële en de geestelijke wereld. Daarom waren ook de dode voorwerpen in zijn schilderijen volgens hem bezield.

Stilleven (met viool)
Dick Ket (1932)

Zelfportret met baret
Dick Ket (1933)

De zuidbeuk van de St. Nicolaaskerk in Monnickendam
Henk Helmantel (1988)

De Groningse fijnschilder Henk Helmantel (1945) behoort tot de Noordelijke realisten en in zijn leven en werk staat het christendom centraal. Hij schildert veel interieurs van kerken en kloosters en stillevens van eenvoudige gebruiksvoorwerpen. In 2008 werd Helmantel ‘Kunstenaar van het Jaar’.

De grote druiventros
Henk Helmantel (1992)

Zelfportret
Henk Helmantel (1968)

Landschap met zeven beelden
Carel Willink (1941)

Kasteel Ruurlo
Even buiten Ruurlo staat Kasteel Ruurlo, dat enkele jaren geleden nog stond verkommeren, totdat Melchers ook hier aan de slag ging. Het gebouw werd zorgvuldig gerestaureerd en de toegang werd mogelijk gemaakt door een opvallende glazen brug. In dit filiaal van Museum MORE bracht Melchers zijn collectie schilderijen en tekeningen van Carel Willink onder.

Carel Willink (1900-1983) was dé schilder van het magisch realisme, omdat zijn voorstellingen realistisch ogen, maar uitsluitend in de fantasie mogelijk zijn. Desolate straten, pleinen en parken, vaak met klassieke beelden, werden zijn ‘handelsmerk’. Hij is ook bekend van zijn huwelijk met de societyfiguur Mathilde de Doelder (1939-1977). Zij doste zich uit in de extravagante creaties van de modeontwerpster Fong Leng, die dan weer door Willink werden geschilderd.

Zebra’s in rood landschap
Carel Willink (1958)

Portret van Mathilde
Luipaardmantel van Fong Leng
Carel Willink (1975)

De hoofdige boer

De hoofdige boer
In Almen, ongeveer halverwege Gorssel en Ruurlo, gelegen tussen de Berkel en het Twentekanaal, overnachtten wij in Landhotel “De Hoofdige Boer”. In de eetzaal vind je een Engelstalige spreuk: “Swerving from our father’s rules | is calling all our fathers fools.

De naam van het hotel en de spreuk verwijzen naar een komisch gedicht van de Gelderse dichter A.C.W. Staring (1767-1840). Hij behoorde tot de Gelderse landadel, een landheer met verschillende functies in politiek en rechtspraak. Hij was ook een van de weinige romantische Nederlandse dichters en dichtte ook “Oogstlied”, dat (volgens Drs. P) begint met de strofe:

Sikkels blinken, sikkels klinken,
Ruischend valt het graan.
Als je iemand weg ziet hinken,
Heeft hij iets verkeerd gedaan.



Achterhoeks landschap bij Barchem

Extra: Boschheurne-route
Dus wat mij betreft: ga naar Gorssel, Ruurlo en Almen. En wie na kunst en cultuur van het coulisselandschap van de Achterhoek wil genieten, wandelt de Boschheurne-route vanaf Boerderijmuseum “De Lebbenbrugge” bij Borculo, die door het stroomgebied van de Slinge voert (11 km).

Meer informatie over Museum MORE: www.museummore.nl
En over Kasteel Ruurlo: www.museummore-kasteelruurlo.nl

De hoofdige boer
Eene Zutphense Vertelling
A.C.W. Staring

Elk weet waar 't Almens kerkje staat
en kent de laan die derwaart gaat.
Een duiker perst daar onder 't spoor
zijn schuim tot in de Berkel door:
al golft rondom de wintervloed,
men komt ter preek met droge voet.

Eens was het anders hier ter stee,
wanneer een voord de weg doorsnee
en 't brugje, naast die voord geleid,
de smaad droeg van zijn nieuwigheid.
Ik vond een boek dat meldt daarvan
wat volgen moet, zo 't rijmen kan.

De voord, dan min dan meerder diep,
naar sloot en scheigrep stond of liep,
was Almens ganse tempelschaar
(vooral de meisjes) tot bezwaar:
met schade aan dure feestkledij
kwam menig aardig kind niet vrij;
men raakte in 't zweet op 't lange pad,
men vatte koude in 't modderbad,
en de ijver om ter kerk te gaan
bracht buikpijn en geen stichting aan.

Kortom die voord was elks verdriet
in Almens needrig dorpsgebied,
van toen de meid, per bezemstok,
de schoorsteen uit daarover trok,
tot, na verloop van eeuw en dag,
de toverkunst begraven lag;
wanneer een kerkedienaar kwam
die 't oud gebrek ter harte nam
en op een morgen na 't sermoen
zijn woord aldus begon te doen:

‘Mijn vrienden, in mijn prille tijd,
ten herder van dit oord gewijd,
zwom ik, met onbezweken trouw,
mijn kudde voor naar 't kerkgebouw.
Ook heden nog, hoe grijs van kin,
schoot ik getroost de slibkuil in,
maar 't wil niet meer, en blijft het dus,
zo heet ik ras emeritus.
Met droge hoest en jicht bezocht,
verlaat mij kracht en ademtocht.
Nog tweemaal als vandaag doorweekt,
eilaas, dan heb ik uitgepreekt!

Een brug, op 't smalste, naast de voord,
uit planken van 't geringste soort,
ziedaar mijn wens! Vergeet toch niet
wat ge in die poel al schoenen liet!
Denk aan uw kostlijk zondagsgoed
bedorven door die moddervloed!
Licht vindt gij eer het werk verjaart
uw uitschot dubbel ingespaard,
en ik behoef dan baai noch drop
en luik weer als een arend op!’ 

Hier zweeg de man. Zijn aanspraak had
de luidjes bij hun zwak gevat.
Het stuk kwam ernstig op 't tapijt,
en wat men hoorde, wijd en zijd,
was viermaal dertig dagen lank
slechts palen, balken, rib en plank
en, driemaal dertig andermaal,
slechts planken, ribben, balk en paal!
Ja, 't scheen, zo ver de Berkel vloeit
zou ieder boord met hout beschoeid,
of dat een reuzenzoldering
de ganse stroom verdekken ging.
Doch met aprilmaands leste dag
moest blind zijn die de brug niet zag!
Nog blinder die met juli kwam
en niets van 't groen portaal vernam,
ter dankbetonende offerand,
door 't maagdengild daarop geplant! 

't Had reden! want, hoe kerks men was,
de vlierpot bleef nu in de kas,
kalmink noch serge liep gevaar,
en schoenloos werd geen wandelaar.

Zo groeide een wijsgegeven raad
ten milden oogst van zegenzaad!
En toch, dat werk, met roem bedekt,
had Scholte Stugginks grief gewekt!
Daar kwam hij! Zonder ba of boe,
gelaarsd tot aan de heupen toe,
een knubbelstok in iedre hand,
kwam onze Paai, en stak van land,
zo vaak de preekklok werd gehoord,
de brug bezijden, in de voord! 

Het vroegte kerkvolk, droog daarnaast,
was van dit vreemd bedrijf verbaasd
en 't vragen keek uit elk gezicht,
doch ieder hield zich wijslijk dicht:
de troep kwam later op het pad
waar Scholte Stuggink praat voor had:
zijn makkers uit de gulden tijd,
die vlieger, tol en bal verblijdt.

't Waarom en 't hoe bleef dus gespaard
tot Wolter, naar den eis bejaard,
door gunstig toeval juist van pas,
getuige van 't spektakel was.
‘In Goos naam, zeg ons, Scholtebuur,’
hief Wolter aan, ‘wat raarder kuur!
hoe plompt gij ons zo dol voorbij?
geloof, de brug draagt u en mij!’ 

‘Ja,’ klonk het uit de modderzee,
‘de Scholtebuur en gij zijn twee!
gelooft hij niet wat gij gelooft:
zo menig mens, zo menig hoofd. 

Ziedaar! al werd uw brug van steen
toch zal ze Stuggink nooit betreen!
Wie ere geeft krijgt eer weerom:
onze ouders waren ook niet dom!
Een brug valt licht ineen te slaan;
onze ouders hebben 't nooit gedaan;
zij gingen waar nu Stuggink gaat
eeuw in eeuw uit de modderstraat. 

Al weten wij de reden niet,
't is vast op goede grond geschied,
en hebt gij hier een brug gemaakt,
zo hebt ge uw' ouders eer geraakt!
Laat dit genoeg zijn, Wolterbuur;
de klok houdt op; 't is negen uur.
Bouwt gij een brug om droog te gaan?
Ik kom er ook, met laarzen aan!

Het gedicht “De hoofdige boer” van A.C.W. Staring is als stripverhaal verkrijgbaar, getekend door Marc Weikamp: www.museumstaal.nl/stripboek-de-hoofdige-boer