maandag 25 januari 2016

Feest met pit

Het is weer bijna carnaval, een goed moment om mijn relatie tot dit verschijnsel bekend te maken. Eerlijk gezegd, ik kan dat kort houden, want ik  laat het aan me voorbij gaan. Dat komt namelijk zo:


Ik ben opgegroeid in een regio waar carnaval een vrijwel onbekend fenomeen was (en nog steeds is). Op twee manieren ging het niet helemaal onopgemerkt aan ons voorbij.

Om te beginnen zat er op carnavalszaterdag altijd een nieuwsitem in het journaal over carnaval. Er werd dan steevast gemeld dat ’s-Hertogenbosch voor die gelegenheid was omgedoopt naar Oeteldonk en dat ging vergezeld van tv-beelden van de optocht in diezelfde plaats.
Mijn aandacht voor carnaval bleef jarenlang beperkt tot die paar minuten per jaar.

Dat is niet helemaal waar, want je had natuurlijk op radio en tv ook de ‘carnavalsliedjes’ van André van Duin, waarvan ik inmiddels weet dat dit geen vastelaovendsleedsjes genoemd mogen worden: “Willempie”, “‘k Heb hele grote bloemkoole”, “Er staat een paard in de gang” en het Pizza lied (“Effe wachte…”).

Later kwam het plaatselijke dorpscafé er achter dat carnaval lucratief is voor de horeca. Dit is een wijsheid die in Limburg allang bekend is. Ik ben er achter gekomen dat sommige etablissementen daar bijna jaarrond gesloten zijn en alleen rond carnaval in bedrijf zijn.
Enfin, de kroegbaas in ons dorp deed op carnavalszaterdag een dubbeltje af van de prijs voor een fluitje Amstel en zette de muziek van voornoemde Van Duin op.
Dat was zelfs toen al een zielige vertoning.

Tijdens mijn tijd in militaire dienst – voorwaartse waarnemer der artillerie – kwam ik paraat 'te liggen' in het Noord-Drentse Zuidlaren, in de voormalige Adolf van Nassaukazerne. Die parate tijd begon in februari, op een maandag nadat ik op zaterdagavond mijn jaarlijkse carnavalsnieuws had geconsumeerd. Wij gingen het dorp verkennen.

En wat bleek: in Zuidlaren vieren ze carnaval!
Dit dorp is namelijk een katholieke enclave in het protestantse en liberale noorden. En wij verzeilden daadwerkelijk in een carnavalsfeest: in polonaise met Zuidlaardenaren.

Ik woon nu al jaren in Limburg en ik waardeer wat ik meemaak – behalve carnaval. Ik kan me voorstellen dat je een feestje viert. Ik kan me voorstellen dat je je in een gekke bui gaat verkleden. Maar drie dagen lang?
Het is niets voor mij.

Ik geef meteen toe dat dit waarschijnlijk meer over mij zegt dan over het carnaval. Ik zie zeker wel het belang van het carnaval in. Het is zeer waardevol voor de sociale cohesie van de samenleving in een dorp of stad, om het maar eens abstract te stellen.

Al vind ik wél: wie zich in het carnaval stort, moet daarna tot de Pasen vasten!

Ik heb hierboven al gesteld dat ook in het noorden van het land carnaval wordt gevierd. Ik wil daarom nu afsluiten met de Groninger straatmuzikanten Rooie Rinus en Pé Daalemmer, die “Carnaval in ’t Noorden” hebben opgenomen.
Het is te beluisteren via YouTube: http://youtu.be/BD8SQnYHNFY. De liedtekst volgt hieronder (voor de vertaling kun je contact met me opnemen, ik kom als Drent een heel eind).

Alaaf!

Pé Daalemmer en Rooie Rinus - Carnaval in ‘t Noorden (1982)

Refrein:
Carnaval in ‘t Noorden, dat is ‘n feest mit pit
van Veendam noar Olle Pekel, elkenain dut mit,
van Hoogezand tot Sappemeer,
van Grùnnen tot an stad
elkenain gaait plat

Het gaait nait aal te best mit de Grunneger FC,
moar dat ligt an ‘t seizoen en dat wordt wel weer oké,
want zo rondom carnaval din kriegen ze smoak te pakken
en dai aandere voetbalclubs dai kinnen goan zakjes plakken!

Refrein

De oom van Rooie Rinus is buschauffeur in stad.
As hai over Grode Maarkt scheurt goan alle fietsers plat.
Lest had ‘e ain te pakken in de buurt van V&D
en alle mensen in de bus dai zongen toun tevree

Refrein

Oom Rieks en tante Greta oet Oosterhogebrug
dai mozzen ains noar stad tou en doarnoa ook weer terug.
Ze stonden op Zuderdaip in hun dikke slee.
Oom Rieks zee: "Hou in hemelsnoam kommen wie bie V&D?”

De zesde keer op ‘t Zuderdaip zee Greta tot heur man:
"Man dat is gain doun hier mit dat circuloasieplan,
van al dai domme pielen roak ik doaneg in de war.
Ik koop veurtoan mien pinda's weer gewoon bie onze Spar!”

Refrein (2x)

Lutje Jan,
olle Kloas
en din nog natuurlek de overbuurvraauw van mien zwoager zien dochter oet Wirdumerdraai
dai kreeg in december al kriebel in t gat
en is nou nog steeds an de zwier en de zwaai
en is ‘t nog laang nait zat!