maandag 27 april 2015

Wie is de baas van het internet?

Dit is net zo’n vraag als: wat gebeurt er onder de motorkap van mijn auto? Maar anders dan jouw auto zet het internet de hele wereld in beweging. Daarom is die vraag relevant, of anders gesteld: wie zou het internet moeten beheren?


Alleen al de kop boven een recent krantenartikel illustreert waarom deze vragen belangrijk zijn: “Ministerie van Defensie doelwit cyberaanvallen.” (1)  Die vragen komen ook aan de orde in het recente WRR-rapport “De publieke kern van het internet – Naar een buitenlands internetbeleid.” (2)

Het internet als mondiaal publiek goed
Het internet is niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven. Het is een dragende pilaar van de economie geworden en een onlosmakelijk onderdeel van het sociale en werkende leven. Het beheer ervan was lange tijd het exclusieve domein van wat de ‘technische gemeenschap’ wordt genoemd. Die bestaat uit private partijen, ngo’s (3), academici en overheden (een multi-stakeholdersysteem) en zorgt voor de ‘publieke kern’ van het internet.

Het zijn vooral de diepere technologische lagen van het internet, bestaande uit protocollen, standaarden en infrastructuren (dus wat zich ‘onder de motorkap van het internet’ bevindt), die ervoor zorgen dat informatie zijn weg vindt en in alle hoeken van de wereld aankomt. Volgens het WRR-rapport moet dit onderdeel van het internet als een mondiaal publiek goed worden beschouwd, als een soort nutsbedrijf.

Bij mondiale publieke goederen gaat het om baten voor iedereen in de wereld, die alleen door gerichte actie en samenwerking te realiseren of te behouden zijn. Niemand kan van het gebruik van het internet worden uitgesloten (non-exclusiviteit) en het gebruik door de ene persoon gaat niet ten koste van het gebruik door een ander (non-rivaliteit). Daarbij is informatieveiligheid (vertrouwelijkheid, integriteit en beschikbaarheid) van belang.

Staten versterken hun greep op het internet 
Overheden zijn zich meer met het reilen en zeilen van het internet gaan bemoeien, want de (nationale) veiligheid is in het geding: cybercrime, digitale spionage en cyberaanvallen. Steeds meer landen willen bovendien het gedrag van burgers op het internet reguleren: dat loopt van het beschermen van auteursrecht, via de aanpak van cybercrime tot censuur van en controle op de eigen bevolking.

Bedreigingen van het internet 
Het collectieve karakter van het internet wordt uitgedaagd door drie trends.

1. Demografische verschuiving
De dominantie van de Verenigde Staten en Europa in het beheer van het internet wordt niet langer overal geaccepteerd. Er is een demografische verschuiving in internetgebruik gaande van Noord en West naar Oost en Zuid.

2. Militarisering
Het internet is onderwerp van nationale veiligheid, met name van inlichtingendiensten en militaire cybereenheden. Door deze militarisering wordt het internet als het vijfde domein van oorlogsvoering (na land, zee, lucht en ruimte) gezien. Soms houden staten vitale kwetsbaarheden in software en protocollen ‘geheim’ voor later gebruik. Deze praktijken leiden er (potentieel) toe dat het functioneren van het internet als geheel minder betrouwbaar wordt. Er zijn namelijk geen achterdeurtjes waar alleen de ‘good guys’ gebruik van kunnen maken.

3. Dataficatie
Een bron van nieuwe toepassingen en markten in de interneteconomie is ‘dataficatie’ (ook wel ‘big data’ genoemd). Dit is het combineren van zoveel mogelijk data om daaruit – soms onverwachte – verbanden en antwoorden te destilleren. Overheden doen dat in de volksgezondheid, in het bestuur van steden en in het domein van de veiligheid. Bedrijven kunnen kennis over het gedrag van internetters te gelde maken. Dataficatie heeft grote gevolgen voor de privacy en voor internationale machtsverhoudingen op het internet.

Botsende werelden
Het komt steeds meer aan op een clash tussen twee werelden: enerzijds de mondiale wereld van het internet (een wereld zonder grenzen) en anderzijds de wereld van soevereine staten. Via het internet komt informatie overal op de wereld terecht, terwijl sommige staten controle over die informatie willen uitoefenen.

De WRR concludeert dat de ‘publieke kern’ van het internet gevrijwaard moet blijven van oneigenlijke bemoeienis van staten en andere partijen die afbreuk doen aan het vertrouwen in het internet. De WRR vindt dat overheden uiterst terughoudend moeten zijn met beleid, wetgeving en operationele activiteiten die ingrijpen in de kernprotocollen van het internet.

De WRR stelt ook vast dat private partijen, zoals Google, Microsoft, Apple en Facebook, een vitale rol spelen in de manier waarop het leven van hele bevolkingen gedigitaliseerd is (ze weten meer van burgers dan overheden) en ze kunnen daarom niet genegeerd worden.

Voor Nederland, met zijn open economie en internationale oriëntatie, levert een open internet zoveel voordeel op dat het als een verlengd nationaal belang kan worden gezien. De WRR roept de Nederlandse regering daarom op om het internet te beschermen als een mondiaal publiek goed. Die inspanning moet leiden tot een duidelijke afbakening en scheiding van taken en organisaties en tot een beteugeling van de neiging van staten om nationale veiligheid de dominante visie op het internet te laten worden. De vraag “Wie zou het internet moeten beheren?” blijft daarbij een voortdurend onderwerp van discussie.

(1) NRC Handelsblad, 22 april 2015
(2) Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid WRR, 18 maart 2015
(3) ngo = non-governmental organization