maandag 13 april 2015

Waar de zeepbel uiteenspat

De filosofie houdt zich vooral bezig met de vraag “Wat is de mens?” Het is leerzaam om ook na te gaan ‘WAAR’ de mens zich bevindt. Dit levert een zoektocht op langs de menselijke ziel, de ontwikkeling van beschavingen en de moderne ‘samenleving’. 


De Duitse filosoof Peter Sloterdijk onderneemt deze zoektocht aan de hand van de metaforen ‘bellen’, ‘globes’ en ‘schuim’. Hij noemt de kennis daarover ‘sferologie’ en onderscheidt zo microsferologie, macrosferologie en plurale sferologie.

Sferologie
Sloterdijk definieert een 'sfeer' als het intieme, ontsloten, gedeelde ronde dat mensen bewonen, waar ze kunnen zijn die ze zijn. In sferen wordt de hechte band tussen de mensen gesmeed (gedeelde inspiratie; solidariteit).

Het zijn-in-sfeer vormt de grondtoestand van menselijk leven en het is aan de mens om die sfeer leefbaar te houden. Sloterdijk spreekt in dit verband over de ‘klimaatbeheersing van de gemeenschappelijke ruimte’ (van horden, stammen, volken en wereldrijken).

In “Sphären I – Blasen: Mikrosphärologie” (“Sferen I – Bellen: microsferologie”, 1998) beschrijft Sloterdijk de mens in de microsfeer. Dit is de intieme ‘bel' die het startpunt vormt voor de mensheid (in de oertijd) en voor het individu (bij de conceptie). Ik probeer de auteur te volgen in zijn filosofisch (en soms bizarre) interieuronderzoek naar de intimiteit van de menselijke psyche.

De microsfeer omvat zeven aspecten.

1. De intercordiale ruimte
Voor Europeanen is het hart het symbool van intimiteit, hartelijkheid, cordialiteit. Hartelijkheid is per definitie uit op handlangers en gezelschap en dus geïnteresseerd in concordia, het op elkaar afstemmen van hartritmes.

Middeleeuwse legendes leggen verbanden met christelijke motieven, die de symbolische betekenis van het hart onderstrepen. Zo is er de novelle “Das Herzmäre“ van Konrad von Würzburg uit ca. 1260 over de hoofse liefde: de geliefde vertrekt, door de jaloerse echtgenoot gedwongen, naar het Heilige Graf. Hij sterft en stuurt zijn hart terug. Dit wordt door de echtgenoot aan zijn dame te eten voorgezet. Zij sterft ook als haar echtgenoot haar vertelt wat ze at. Dit verhaal kan gelezen worden als een ketterse variant op de eucharistie: het gekookte en verorberde ridderhart als hostie.

Judas verraadt Jezus, Giotto (1306)

2. De interfaciale sfeer
De ontmoeting tussen twee mensen begint met wederzijdse waarneming. De interfaciale ruimte – de ontmoeting tussen twee gezichten – zien we opduiken in de vroegmoderne Italiaanse schilderkunst, bijvoorbeeld bij Giotto (1306, Capella degli Scrovegni te Padua): de scene van de judaskus (afbeelding hierboven). Christus en Judas verschillen door het aureool van Christus, een voorname tegenover een vulgaire mens, wat tot uitdrukking komt in de oogopslag (open en voornaam versus boosaardig en dom).
Daarna volgden geschilderde scenes waarin de Madonna en het kindje Jezus elkaar aankijken en vervolgens werden portretten van gewone stervelingen gemaakt.

De moderne mens staat oog in oog met monitors, camera's, markten, evaluatiecommissies. De meest typerende plek in de geïnnoveerde wereld van de media heet interface, waarmee niet de ruimte bedoeld wordt waar gezichten elkaar ontmoeten, maar het contactpunt tussen gezicht en niet-gezicht of tussen twee niet-gezichten. De interface past niet in de microsfeer, het is een voorbode van de ‘verschuimde samenleving’.

3. 'Magische' aantrekkingskrachten
Mensen beweren vaak dat ze autonoom zijn, maar hoe zit het dan met de betovering van mensen door mensen? De wet van de sympathie bepaalt dat liefde niet anders kan dan liefde opwekken; evenzo genereert haat zijn daarbij behorende antwoord.

Magnetisme is een bijzondere vorm van betovering, die sinds Franz Anton Mesmer (1734-1815) voor de genezing van patiënten wordt ingezet.

4. De moederschoot
Al sinds het Neolithicum, toen de tot dusver nomadische mensengroepen volgens Sloterdijk in de val van de honkvastheid liepen, speelt de moeder een belangrijke rol. In vroege nederzettingen moeten mensen leren zeggen in welke relatie ze staan tot de moeders en tot de bodem. Er is een verband tussen graf en moederlichaam. Neolithische graven stonden in het teken van de ‘grote moeder’: overledenen werden begraven in foetushouding.

Een belangrijke fase in de emotionele ontwikkeling van de mens is de innesteling van de eicel in de baarmoeder – een gebeurtenis misschien wel even wonderbaarlijk als de geboorte zelf. Uit onderzoek naar baby's geboren tijdens de Hongerwinter en vlak daarna blijkt dat juist baby's die tijdens de Hongerwinter zijn verwekt een slechtere gezondheid hebben.

 Placenta van de farao

5. De oerbegeleider
Het meest bizarre aspect van de microsfeer is de rol van de placenta, volgens Sloterdijk ‘het versmaad orgaan’. De placenta is als een baarmoederlijke butler, discreet en voedend, dat we na onze geboorte niet langer willen kennen. De plaats wordt overgenomen door bedden, kussens en dekens.

Vroeger waren er hele rituelen rond de placenta, bijvoorbeeld rond het begraven of nuttigen ervan – het werd beschouwd als een amulet, een double, een beschermengel. Voor de vroege Egyptenaren was de placenta van de farao een voorwerp van verering (als een vaandel; afbeelding hierboven).

Tegenwoordig wordt waarde gehecht aan een ander ritueel: het doorknippen van de navelstreng. Wie de snede aanbrengt is de eerste scheidinggever in de geschiedenis van het kind.

6. Onafscheidelijke begeleiders
Pasgeborenen staan er niet alleen voor, maar worden begeleid door de moeder, de genius (god) en engelen. Zij vormen een beschermend membraam (medium, sluis, wisselaar, bel) rond de binnenwereld van het individu en helpen om het kind klaar te stomen voor complexere vraagstukken.

Bij de eerste ervaringen van een pasgeborene speelt de gevoelservaring een rol, die op dat moment uitstijgt boven de optische ervaring (bij baby’s speelt het zien een ondergeschikte rol).

Odysseus en de Sirenen, John William Waterhouse (1891)

7. De ‘luistergemeenschap’
Sloterdijk vraagt zich af hoe het mogelijk is dat ik voor miljarden boodschappen een rots ben waartegen ze zonder weerklank te pletter slaan, terwijl bepaalde stemmen en instructies mij onmiddellijk in beweging brengen? Hierbij past het verhaal van Homerus over Odysseus en de Sirenen, dat leert dat je op je hoede moet zijn voor een bepaald soort oorstreling (afbeelding hierboven).

Uit onderzoek is gebleken dat kinderen in het lichaam van de moeder dankzij de vroege ontwikkeling van het oor reeds uitstekend kunnen horen. Dat legt op de moeder de verplichting om je zo te gedragen dat je eigen stemming op elk moment een passende investering is in een gedeeld leven.

Mensen, als bewoners van sferen, vormen een luistergemeenschap – het sociale leven valt over de groep als akoestische stolp.

Van het ‘intieme’ naar het ‘onvertrouwde’
Iedereen staat op een of andere manier en op enig moment met iemand anders in nauw contact. Men moet er altijd rekening mee houden dat er anderen in het spel zijn, ook al blijven hun aantal, positie en gezindheid onduidelijk. En daarmee overschrijden we de grens tussen microsfeer en macrosfeer, waarbij de intieme bel (zoals hier beschreven) tot wereldformaat wordt opgeblazen.

Volgens Sloterdijk heeft de mens zichzelf tot ballingschap veroordeeld en uitgewezen uit een niet meer voor te stellen geborgenheid – de zeepbellen zijn uiteengespat. De mens ontdekte ver verwijderde melkwegstelsels en de meest spookachtige componenten van de materie; een buitenwereld zonder mensen.

De mens wordt uit zijn intieme binnenwereld opgeroepen tot "Kom hierheen", d.w.z. naar het onvertrouwde ('Ungeheure') buiten, waar zich globaliseringsoorlogen en technische revoluties afspelen. De vraag luidt: "WAAR zijn we, wanneer we in het ‘onvertrouwde’ zijn?"
De macrosferologie geeft antwoorden (via een volgende blogpost).